Afbeelding: Andre Roelofs DAP De Hagmolen

Streptokokken en aandoeningen van het centraal zenuwstelsel.

Mijn naam is Andre Roelofs. Ik werk als dierenarts vanuit de praktijk de Hagmolen. Ik heb een brede interesse en doe naast het varken ook nog met veel plezier pluimvee en paarden. Vanuit de varkensgezondheid ligt mijn specialiteit bij klauwgezondheid en streptococcen bestrijding.  Streptococcen zijn het meest vervelende kiem in de varkenshouderij. Dieren die plots uitvallen en het zijn altijd de beste…

 

Aandoeningen van het centraal zenuwstelsel (CZS) komen voor bij varkens van alle leeftijden. Symptomen die daarbij horen zijn onder meer onrust, ataxie, tremor, evenwichtsstoornissen en verlamming. Het onderscheid tussen hersenaandoeningen en musculaire ziekten is niet altijd scherp te maken, met name bij verlammingsverschijnselen. Aandoeningen van het CZS manifesteren zich vooral bij pasgeboren biggen (trilbiggen) en bij biggen tijdens de speenleeftijd (bacteriële meningitis,  slingerziekte). Andere aandoeningen zoals zoutintoxicatie  c.q. watergebrek en vergiftigingen met schade aan het CZS leiden incidenteel tot forse schade, maar manifesteren  zich doorgaans niet als een bedrijfsprobleem.

Verschillende hersenaandoeningen spelen een rol op verschillende leeftijden. Hieronder een overzicht van aandoeningen per leeftijdscategorie.

Pasgeboren biggen (tot twee weken oud)

• trilbiggen

• verschijnselen door vitamine  A deficiëntie bij de zeug

• aangeboren hersen- of ruggenmergafwijkingen

• ijzerintoxicatie

 

Biggen/varkens, ouder dan twee weken

• bacteriële meningitis; met name veroorzaakt door Streptococcus suis

• oedeemziekte,  veroorzaakt door E. coli

• middenoorontsteking

• zoutvergiftiging en/of watergebrek

• vergiftigingen

• loodverbindingen

• arseenverbindingen

• organofosfaten

• Aangifteplichtige ziekten

 

Beschrijving van de ziekteverwekkers en aandoeningen

Trilbiggen

De aandoening  trilbiggen is herkenbaar aan bevingen van kop-, nek- en ledemaatspieren bij pasgeboren biggen. De aandoening  gaat gepaard met veranderingen  van hersenen en ruggenmerg. We  onderscheidden verschillende typen en maken een indeling naar de oorzaken (viraal, erfelijk of chemisch) en de afwijkingen. Een Amerikaanse publicatie beschrijft  de mogelijke rol van Circo- virus, type I (PCV-I). Mogelijk spelen ook andere uterus-passeerbare virussen een rol.

Pathogenese

Soms treedt het probleem van trilbiggen gedurende een bepaalde periode op, bijvoorbeeld na toevoegen van veel gelten of gelten van een ander herkomstbedrijf.  Ook na samenvoegen  van zeugenpopulaties worden problemen vermeld. Soms betreft het een beperkte serie zeugen van een bepaald worpnummer of aanlevering. De aan trilbiggen gelieerde virussen tasten de foeten aan vaak in het eerste derde deel van de dracht. Hierdoor wordt de verwekker van de aandoening zelden aangetoond. Bij infecties in het laatste derde deel van de dracht kunnen de virussen wel worden teruggevonden in de biggen.

 Klinische verschijnselen

De trillingen  wordt direct of binnen enkele uren na de geboorte opgemerkt. De trillingen kunnen zwak en sterk van karakter zijn. Zwakke trillingen worden opgemerkt bij inspanning van de dieren. Bij sterke trillingen zijn de dieren niet of nauwelijks in staat aan de uier te komen en de tepel vast te houden.  De uitval in de eerste week is dan ook hoog.

Therapie

De overlevingskans  van de biggen  is sterk afhankelijk  van de ernst van de trillingen, maar wordt vergroot door de biggen warm te houden en te ondersteunen bij het zogen en/of kunst- melk te voeren.

Bacteriële meningitis door Streptococcus suis

Streptococceninfecties bij het varken worden veroorzaakt door verschillende species streptococcen. Veel van deze bacteriën  behoren tot de normale bewoners van huid en slijmvliezen, zowel van neus- en keelholte, luchtwegen, maagdarmstelsel.

Op deze website wordt alleen Streptococcus suis behandeld.

Streptococcus suis

Binnen  S. suis zijn momenteel 35 serotypen bekend Bij ziektegevallen  door S. suis wordt het serotype 2, van de 35 beschreven serotypen, wereldwijd het meest frequent geïsoleerd. Daarna volgen de serotypen 9, 1, 7 en 1/2. De prevalentie van de serotypen varieert per land, maar ook met het verloop van de tijd. In Nederland wordt type 9 het meest geïsoleerd uit sectiemateriaal.

Overdracht

S. suis wordt gevonden in de tonsillen van zieke en gezonde varkens. Zeugen zijn subklinische dragers in de tonsillen. De tonsillen worden beschouwd als de ‘porte d’entree’. S. suis wordt via dragers vooral oraal overgebracht. Via colostrum zijn de biggen de eerste weken beschermd tegen ziekteverschijnselen.  Na het spenen verspreidt S. suis zich in de speen- groepen. Ook vliegen en ongedierte treden op als vectoren. Diverse S. suis-typen  (onder  andere type 2) zijn bij verschillende zoogdieren en vogelspecies geïsoleerd.

Zoönose

S. suis-serotypen  zijn ook bij mensen met ziekteverschijnselen geïsoleerd. Vooral personen die contact hebben met varkens lopen risico, zoals varkenshouders, dierenartsen, chauffeurs van varkenstransporten en slachthuispersoneel. Bij de mens worden griepachtige verschijnselen beschreven (koorts, hoofdpijn, hoesten), soms samen met braken en diarree. Indien de aandoening niet tijdig wordt onderkend en behandeld, leiden streptococcen- infecties bij de mens tot sterfte. Herstelde patiënten  kunnen rest- verschijnselen houden, zoals blindheid,  doofheid en gewrichtsproblemen.

Voorkom overdracht

S. suis is goed gevoelig voor zeep. Door telkens bij het verlaten van de varkensstal de handen goed te wassen met zeep, wordt overdracht van S. suis grotendeels voorkomen.

Streptococcen behoren tot de algemeen voorkomende  kiemen bij het varken en bewonen vooral de slijmvliezen van neus en de tonsillen. Door irritatie, verwondingen en verminderde weerstand van het dier, bijvoorbeeld door stressfactoren (huisvesting,  samenvoegen, klimaat, castratie, vaccinatie, vechten etc.) veroorzaken streptococcen ziekteproblemen. Het ziekteverwekkend vermogen van streptococcen  wordt mede bepaald door de virulentie-eigenschappen van het betreffende type en de bedrijfsomstandigheden.

Hoe werkt het met streptococcen

De pathogenese van de ziekte is nog grotendeels onbekend. Verondersteld wordt het als volgt:

  1. De slijmvliezen,  voornamelijk  van de voorste luchtwegen en de tonsillen, worden gekoloniseerd.
  2. Vervolgens vindt een invasie van het epitheel plaats. Dit wordt mogelijk gemaakt door bepaalde virulentiekenmerken van de streptococcen,  onder andere door adhesie- en toxine-factoren en adhesie aan monocyten en macrofagen.
  3. De kiemen komen in de vliezen  en doelorganen, hetzij via vrije kiemen in de bloedbaan (sepsis) of via witte bloed lichaampjes.
  4. Aangekomen op de “bestemming” passeren de kiemen de endotheelbarrière. Door aanhechting aan lokale macrofagen worden de kiemen achter de barrière gebracht (Trojaans paard-model).
  5. Nu begint de vermeerdering. Dit leidt tot een ontstekingsreactie  in het weefsel. De streptococ  bereikt  de hersenen en veroorzaakt een hersenvlies ontsteking. Ook bij een gewrichtsontsteking, borstvliesontsteking of polyserositis geldt eenzelfde stappenplan dat leidt tot klinische en pathologische ziektesymptomen.

 

Klinische verschijnselen

Streptococcen veroorzaken een breed spectrum van aandoeningen, veelal in combinaties met andere kiemen. Van de door S. suis veroorzaakte klinische  verschijnselen zijn de volgende het meest bekend:

• koorts (90%)

• plotselinge sterfte (50%)

• meningitis (25%) (hersenvliesontsteking)

• bronchopneumonie (15%)

• diarree (9%)

• slechte eetlust (8%)

• artritis (2%)

Hoewel de ziektesymptomen  voorkomen bij varkens van alle leeftijden, is de leeftijd na het spenen typisch (vier tot acht weken oud). Stresscondities, aflopen van maternale immuniteit, ontwikkeling  van verschillende actieve besmettingen via de slijmvliezen (onder andere het PRRS-virus) en mogelijk een minder goede darmgezondheid spelen hierbij een rol.

Therapie

Omdat de klinische  symptomen sterk variëren en de eerste symptomen acute uitval betreffen, is het instellen  van een snelle groepsbehandeling de eerste stap. Dieren die onvoldoende voer en water opnemen, worden individueel  behandeld.  Het effect van de ingestelde behandeling is sterk afhankelijk van het stadium van de infectie  tijdens behandelen, en daarmee van het moment waarop de eerste verschijnselen  worden opgemerkt en worden gerelateerd  aan een S. suis- infectie.

Dieren die de infectie  overleven, blijven vaak restverschijnselen  houden. Door de hersenverschijnselen (kop scheefdragen) en gewrichtsontstekingen  (dikke gewrichten),  worden ze bij slachting  vaak afgekeurd.

Preventie

• Zeep en zeepoplossingen  doden S. suis snel. Door de handen steeds goed te wassen en door goede reinigings-  en desinfectieprocedures van zowel bedrijfsruimten  als dieren wordt een bedrijf S. suis-arm  gehouden.

• Met behulp van strikt all in all out en het niet overleggen en mengen van varkens wordt getracht de infectie  tussen tomen te voorkomen.

• Voer en zuur: Bepaalde veevoederfabrikanten en leveranciers van zuren hebben bepaalde biggenvoeders en zuren ontwikkeld ter preventie van Streptococcen.  Er zijn te weinig onderzoeksresultaten bekend om de effecten  hiervan aan te geven.

• Vaccinatie; Vaccinatie tegen S. suis is mogelijk. In Nederland zijn echter (nog) geen S. suis- vaccins geregistreerd.  Wel worden auto-vaccins (bedrijfsspecifieke vaccins) toegepast. Wanneer meer serotypen uit klinisch zieke en gestorven dieren worden geïsoleerd, wordt een bedrijfscombinatievaccin gemaakt.

Als Oosthof hebben wij een checklist ontwikkeld om het bedrijf goed in beeld te brengen. Zo maakt u stappen voorwaarts en is het beheersbaar worden van S. suis infecties op het bedrijf meer binnen handbereik.

 

(Bron: o.a. GD praktijkmap)