Afbeelding: Verzorging ed varkens DAP De Hagmolen

Vruchtbaarheid varken

Fertiliteitsproblemen zijn rechtstreeks van invloed op de financiële resultaten in de zeugenhouderij.  De huidige  generaties zeugen zijn tot zeer hoge reproductiviteit  in staat. Topbedrijven (beste 20%) produceren gemiddeld 30,0 gespeende biggen per zeug per jaar, gemiddelde bedrijven komen uit op 27,2 gespeende biggen per zeug per jaar.  Fertiliteitsproblemen  spelen een belangrijke rol in de zeugenhouderij.  Problemen als slechte berigheid en teveel terugkomers resulteren in extra verliesdagen. Vijf procent toename van terugkomers resulteert op jaarbasis in een afname van de productiviteit met ongeveer 0,18 grootgebrachte big per zeug.

Een tegenvallende  toomgrootte  (weinig levend geboren biggen) resulteert direct in minder biggen per zeug per jaar. Een afname van de toomgrootte met 0,5 levend geboren biggen resulteert op jaarbasis in een afname van de productiviteit met 1,15 big per zeug.

 

De meest voorkomende  vruchtbaarheidsproblemen zijn terugkomers, verwerpen, te kleine tomen. Slechte berigheid als bedrijfsprobleem komt tegenwoordig niet vaak meer voor. Vaak is de oorzaak multifactoriëel. Risicofactoren die onder andere een rol spelen zijn:

• het varken:      aangeboren afwijkingen, ontwikkeling, ras

• de veehouder: attitude, werkdruk

• management: berigheidsstimulatie en detectie, dekmanagement

• voeding:           in opfokperiode, tijdens diver- se stadia  van de cyclus

• huisvesting:     stalindeling, klimaat, verlichting

• gezondheid:    infectieuze aandoeningen

 

De belangrijkste  basisvoorwaarde voor een goede fertiliteit  op bedrijfsniveau is een goede voeding en juiste voedering (voerschema).

Fertiliteitsbegeleiding

Vruchtbaarheidsproblemen op zeugenbedrijven kosten handenvol geld. Het achterhalen van de onderliggende oorzaken is echter vaak lastig en tijdrovend,  zeker indien sprake is van een slepend probleem waarbij een ‘suboptimaal management’ één van de achtergronden  is.

Niet berig worden/zien

Bij het probleem ‘niet berig worden’ of ‘niet berig zien’ horen de volgende klachten:

• het interval spenen-dekken is langer dan zes dagen;

• veel gelten worden pas gedekt op een leeftijd van meer dan 270 dagen;

• in de leeftijd bij eerste dekking zit een grote variatie.

 

Inventarisatie van mogelijke risicofactoren

Zeugen en gelten

• Is sprake (geweest) van (chronische)  gezondheidsproblemen in de opfokperiode (bijvoorbeeld chronische longaandoeningen of diarree)?

• Wordt bij eigen opfok strikt all in-all out toegepast ter preventie van verspreiding van pathogenen?

• Onrust bij gelten: zijn ze afkomstig  uit een donkere opfokstal?

• Blijven gelten tot een leeftijd van 8 maanden of ouder in de opfokstal, dan komt de eerste berigheid  soms slecht tot uiting.

• Weinig contact  met mensen in de opfokperiode kan leiden tot meer schrikachtigheid.

• Veel verplaatsingen tussen afdelingen,  bijvoorbeeld om gelten het gebruik van een voer- station aan te leren, kan extra onrust/stress opleveren.

• Het slecht tonen van de stareflex  kan het gevolg zijn van angst voor een (felle) beer.

• Als de groei in de opfokperiode minder is dan 620 gram/dag, is sprake van onvoldoende ont- wikkeling.

• Een groei van meer dan 750 gram/dag  in de opfok resulteert in een te zware conditie  van de gelten.

• Het gewenste gewicht in relatie tot de leeftijd van de gelten is:

- bij 220 dagen 120 kg

- bij 240 dagen 145 kg

• Een onevenwichtige leeftijdsopbouw  van de zeugenstapel resulteert op een zeker moment in een relatief hoog aandeel jonge zeugen (bijvoorbeeld na uitbreiding), die vaak wat moeilijker berig worden.

• Rassen met Piétrain-bloed tonen berigheid vaak beter dan landvarkens.

• Een grote variatie  in conditieopbouw gedurende de cyclus is ongunstig.

 

Management

• Berigheidsstimulatie: vindt beercontact twee keer per dag kort en intensief plaats vanaf een dag na spenen?

• Berigheidsdetectie dient bij voorkeur twee keer per dag met de beer plaats te vinden, vanaf de derde dag na spenen.

• Berigheidscontrole bij eventuele terugkomers, liefst met behulp van een zoekbeer.

 

Voeding

• Is sprake van een grote voerovergang bij gel- ten die van opfokstal naar zeugenbedrijf of dekstal gaan, bijvoorbeeld van brijvoer naar brokken?

• Is de voeropname goed bij gelten na aankomst in de dekstal of op het zeugenbedrijf?

• Is de voeropname in de lactatieperiode  goed (> 165 kg/EW in vier weken) en zijn de zeugen in voldoende conditie bij spenen (bij voorkeur vastgesteld met behulp van spekdiktemeting)

• Drinkwatervoorziening in de kraamstal: vol- doende opbrengst nippels (2-2,5 liter/min) is noodzakelijk  voor een goede voeropname.

• Vasten op de dag van spenen is ongunstig.

• Krijgen de zeugen tussen spenen en dekken ad lib. (lacto)voer?

• Krijgen de zeugen tussen spenen en dekken speciale toevoegingen  aan het voer (suiker, vit. E, sporenelementen)?  Bij goede voer- verstrekking is dit doorgaans niet nodig. Een gunstig effect kan een indicatie  zijn voor een problematische berigheid.

 

Huisvesting en klimaat

• Is sprake van tocht in de dekstal? Tocht betekent een stressfactor.

• De gewenste staltemperatuur  is:

- in de dekstal tussen 18 en 21°C

- in de kraamstal ≤ 21°C

• Het beste is om gelten in de dekstal in groeps- hokken te huisvesten met goede mogelijkheden voor beercontact.

• Huisvesting van guste zeugen tussen dragende zeugen is niet bevorderlijk voor het tonen van

 

De berigheid.

• Stalverlichting:

- in de dekstal: constant dag-nachtritme met 14-16 uur/dag, > 40 Lux bij de zeugen.

- in de wachtstal:  constant dag-nachtritme met 14-16 uur/dag, > 10 Lux bij de zeugen.

 

Als zeugen slecht berig worden door slechte conditie bij spenen:

• naarmate zeugen meer biggen grootbrengen  of later worden gespeend, hebben ze in de vol- gende cyclus een langer interval spenen-dekken;

• in het bijzonder  eerste worps zeugen hebben een lang interval spenen-dekken;

• de toomgrootte  bij herdekte zeugen is veel beter dan bij niet-herdekte 

• het percentage terugkomers is te hoog

 

Bij onvoldoende berigheidsstimulatie:

• relatief weinig zeugen (< 80%) worden binnen zes dagen na spenen gedekt;

• vaak is sprake van een vrij hoog percentage terugkomers, maar relatief weinig op drie weken;

Bij slechte berigheidsdetectie:

• veel zeugen hebben een interval spenen-dekken van ongeveer 25 dagen (> 3%);

• doordat het vaststellen van het inseminatie- tijdstip evenmin goed gebeurt, is het percentage herdekkingen vaak te hoog (> 13%);

Vaak gaan een slechte berigheidsdetectie  en stimulatie hand in hand.

 

Diagnostische mogelijkheden:

• Bij verdenking van schimmeltoxinen  in voer is onderzoek van voermonsters te overwegen. Het nemen van representatieve monsters is vaak moeilijk, zie ook ‘Mycotoxinen’.

• Beoordeling conditieopbouw  gedurende de cyclus door conditiescore en/of spekdikte- meting  

 

Spekdikte

Met spekdiktemetingen  is de conditieopbouw  van zeugen gedurende de cyclus goed te bepalen. De betekenis mag echter niet worden overschat, de meetresultaten kunnen nogal variëren per uitvoerder.  Een kritische  beoordeling van de meetresultaten in samenhang met een visuele conditiescore  is gewenst. Behalve de gemiddelde spekdikte bij een groep zeugen in een bepaald stadium, is het vooral interessant om te beoordelen hoe groot de verschillen binnen de groep zijn. Meer dan 10 procent zeugen met < 10 mm spek naast meer dan 10 procent zeugen met

> 25 mm betekent dat de variatie  veel te groot is en dat men dus wellicht niet in staat is om het voerschema voor de zeugen individueel  aan te passen. Dat is wel gewenst voor goede resultaten. Het verlies in spekdikte gedurende de lactatie  dient beperkt te blijven tot 3 à 4 mm.

 

Terugkomers

Te veel terugkomers  uit zich in een verhoogd percentage herdekkingen (> 12%) c.q. in een laag drachtigheidspercentage (< 83%). Daarnaast worden relatief veel zeugen afgevoerd met als reden ‘terugkomer’ (> 20% van de afgevoerde zeugen). Een hoog percentage terugkomers gaat vaak gepaard met andere vruchtbaarheids- problemen. Indien de berigheid  niet goed is, bijvoorbeeld door een inadequate berigheidsdetectie dan zal ook het vaststellen  van een juist inseminatiemoment vaak niet goed geschieden wat kan resulteren in veel (regelmatige) terug- komers. Indien sprake is van veel embryonale sterfte (onregelmatige  terugkomers) dan zal ook vaak sprake zijn van tegenvallende toomgrootte of een verhoogd aantal aborterende zeugen. Als sprake is van te veel conditieverlies  in de lactatieperiode  dan zal zowel het interval spenen- dekken verlengd zijn, is het aantal terugkomers verhoogd en is de toomgrootte  onvoldoende

Verwerpen

Op een gemiddeld zeugenbedrijf resulteert de drachtigheid op jaarbasis in maximaal twee procent van de gevallen in abortus. In het najaar doet zich vaak een (kleine) piek voor. Als het aantal verwerpers duidelijk is verhoogd, dan is ook vaak sprake van een toename van onregelmatige terugkomers en in tweede instantie van tegenvallende toomgrootte en/of toename van het aantal mummies. Verwerpen kan het gevolg zijn van diverse infecties. Aantasting van het genitaalapparaat en/of de vruchten  kan worden veroorzaakt door leptospirose of PRRS. Andere mogelijke infecties zijn EMCV, PCMV en wellicht Chlamydophila. Infecties met Parvo-virus leiden zelden tot abortus in endemische situaties.  Systemische infectieziekten die gepaard gaan met koorts kunnen eveneens leiden tot verwerpen; te denken valt aan griep of vlekziekte.

Diverse incidentele  heftige  stressveroorzakende omstandigheden kunnen ook resulteren in abor- tus. Bijvoorbeeld pijn, heftige entreacties, anafylactische shock, intoxicaties  met bijvoorbeeld mycotoxinen (zearalenon), giftige gassen uit de mestkelder, ernstige stalklimaatfouten  of grote onrust in groepen zeugen.

 

Najaarsverwerpen

Bij het fenomeen ‘najaarsverwerpen’ is doorgaans geen sprake van een infectieuze  oorzaak. Najaarsverwerpen kenmerkt zich doordat veel zeugen in de periode september-oktober  tussen 20 en 25 dagen in de dracht de vruchtjes verliezen (vroeg verwerpen) waarna ze op vier weken terugkomen.  De zeugen zijn niet ziek en worden na de herdekking  doorgaans goed drachtig. Het fenomeen heeft te maken met de snel afnemende daglengte in september en oktober en met de manier waarop de zomer overgaat in de herfst. Als een hete, benauwde augustus wordt gevolgd door een frisse september met koude nachten, dan is de kans op najaarsverwerpen duidelijk vergroot.

 

Te kleine tomen

Door scherpe selectie in de varkenshouderij is de toomgrootte  de laatste jaren duidelijk gestegen. Een gemiddeld zeugenbedrijf heeft minstens 13,1 levend en 1,0 doodgeboren big- gen; de 20 procent beste bedrijven zitten op 14,7 totaal geboren biggen per worp (Agrovision kengetallenspiegel,  december 2009). Een matige toomgrootte gaat lang niet altijd gepaard met een matig drachtigheidspercentage of met een matige  berigheid  van de zeugen. De voeding speelt een sleutelrol  met betrekking tot de toomgrootte.

 

Te veel doodgeboren biggen/ te veel mummies

Gemiddeld wordt 1,0 big per toom doodgeboren, bij gelten is dat gemiddeld 0,5 tot 0,7 big. Vanaf 1,2 doodgeboren big per toom (gelten 0,9) spreken we van te veel doodgeboren big- gen. Voor mummies geldt als ‘normaal’ 0,1 tot 0,2 mummies per toom, veel is 0,5 mummies per toom. Niet elke zeugenhouder registreert het aantal mummies. Bovendien verschilt de wijze van registratie  van het aantal doodgeboren biggen per bedrijf. Soms worden  zeer slappe, kansloze levende biggen ook als doodgeboren geregistreerd. Indien zeugen traag werpen is ook vaak sprake van veel doodgeboorte.

Dit is slechts summiere weergave van vruchtbaarheidsperikelen die spelen in de varkenshouderij. Om een bedrijfssituatie beeld te brengen is een bedrijfsbezoek noodzakelijk. Wij zijn u daarbij graag van dienst.